Richtlijnen voor het construeren van gesloten vragen

  1. Toets in principe in één vraag één leerdoel.
  2. De vraag moet niets anders meten dan het bij de vraag behorende leerdoel.
  3. De alternatieven moeten helder en eenduidig zijn.
  4. De afleiders moeten geloofwaardig zijn voor degene die de stof niet goed hebben bestudeerd.
  5. De antwoordalternatieven mogen niet te veel verschillen in woordgebruik, omvang, lengte, e.d.
  6. Geef de bedoeling van de vraag expliciet in de stam aan.
  7. Er mag maar één alternatief juist zijn.
  8. Stel altijd eerst het juiste alternatief op en daarna de afleiders.
  9. Formuleer zowel de stam als de alternatieven zo kort mogelijk.
  10. Verberg het leerdoel dat getoetst wordt niet onder een hoeveelheid irrelevante informatie in de stam.
  11. Figuren moeten functioneel zijn. Als ze niet tot het verhelderen van het probleem bijdragen laat ze dan weg.
  12. Vermijd, indien mogelijk, een ontkennende zin in de stam.
  13. De alternatieven moeten grammaticaal in overeenstemming zijn met elkaar en de stam.
  14. Wanneer de leerling uitspraken op hun juistheid moet beoordelen, moeten ze ondubbelzinnig en juist zijn.