Maak zelf een toets

Toetsconstructie

Het maken van een goede toets is geen rocket science. De meeste leerkrachten maken regelmatig zelf een toets om tot een beoordeling (en cijfer) te komen en zijn bekend met de basisprincipes. Wel moet je met verschillende zaken rekening houden. Die komen op deze site aan de orde.

Als men de leerstof doorneemt en weet welke kennis of vaardigheid moeten worden overgedragen, dan kunnen daar vragen over gemaakt worden of opdrachten bij worden bedacht.

Testadvisor is expert in toetsontwikkeling en geeft graag advies. Maar we hebben er natuurlijk ook een workshop voor: Maak zelf een toets. Zie verder bij Advies.

Hier geven we alvast een aantal belangrijke handvatten.

Een voorbeeld voor PO

herfstplaatjes voor toets
herfstplaatjes voor toets

Je bent als leerkracht een half uur bezig geweest met groep 8 over het najaar en enkele belangrijke verschijnselen in de flora zijn behandeld. Alles in het kader van de kerndoelen voor Natuur en techniek (kerndoel 40). Het ligt voor de hand om dan vragen te stellen over de namen en het uiterlijk van bomen en zaden. Dat kan op allerlei manieren. Er kunnen klassikaal plaatjes worden vertoont waarbij de leerlingen op een blaadje de namen opschrijven. Er kan een toets op papier worden uitgedeeld met foto’s of tekeningen van die bomen met een lijn om de naam op te noteren. Er kunnen meerkeuzevragen worden bedacht, waarbij het juiste alternatief moet worden aangevinkt, etc. Bij de keuze voor een toetsvorm zijn er dus allerlei afwegingen te maken. Een klassikale presentatie van de vragen (de stimulus) kost minder voorbereiding dan het maken van een papieren toets. Een respons bestaande uit een lijstje van 10 namen op papier is misschien makkelijker te verwerken dan een meerkeuzetoets. De omstandigheden voor een klassikale presentatie leveren misschien meer afkijkers op dan een papieren toets in een tentamenopstelling. Ook is een digitale oplossing mogelijk door een toets via een App. Maar dan moet daar wel de juiste infrastructuur voor zijn.

Bij het maken van een meetinstrument voor leerresultaten, zoals een toets, moet dus nagedacht worden over doel, inhoud en vorm. Vervolgens moeten besluiten worden genomen en concrete stappen gemaakt worden om het instrument te ontwikkelen en te gebruiken. Het stappenschema voor het maken en gebruiken van een toets ziet er globaal als volgt uit.

Stappenschema toetsconstructie

  1. Bepaal waar de toets voor dient (doelspecificatie)
  2. Bepaal de inhoud van de toets (toetsmatrijs)
  3. Ontwikkel de opgaven en/of taken (constructie)
  4. Stel de toets samen (samenstelling)
  5. Maak een sleutel of scoringsvoorschrift
  6. Bepaal de cesuur (eventueel voorlopig) of de norm
  7. Bepaal de afnamevorm en -condities
  8. Neem de toets af (afname)
  9. Analyseer de uitkomsten
  10. Rapporteer het resultaat

Bij elke stap valt uiteraard een toelichting te geven.

Testadvisor© kan bij elke stap adviseren, maar ook het hele traject begeleiden.

Advies

We lichten er hier enkele stappen uit. 

Doelspecificatie

Dit is de belangrijkste stap om te komen tot een goede toets. Omschrijf precies wat er gemeten moet worden en zorg dat dat aansluit bij het doel of de doelen van het onderwijs of de les. Belangrijk is daarin ook of het gaat om theorie, praktijk, een vaardigheid of een combinatie van dat alles, bijvoorbeeld te evalueren met een competentietoets.

Een toetsmatrijs

Het is verstandig een toetsmatrijs te gebruiken. Dat is een tabel die duidelijk maakt hoe de vragen van de toets inhoudelijk zijn verdeeld over belangrijke categorieën. De vragen moeten representatief zijn voor de doelstellingen van de les of het project en kunnen naar aard verdeeld worden over bijv. kennis, inzicht en toepassing, maar ook naar type vragen en opdrachten.

Voorbeeld van een toetsmatrijs bij een aardrijkskundeproject over water 

Inhoud Kennis Inzicht Topografie* Aantal opgaven
Bescherming tegen zeewater 1,2,3 4 5, 6, 7, 8 8
Bescherming tegen rivierwater   9 10, 11, 12 4
Belang van schoon water 13, 14 15   3
Waterbeheer in de polders 16 17, 18 19, 20, 21 6
Maatregelen tegen verdroging 22, 23 24 25, 26, 27 6
Aantal opgaven 8 6 13 27

 

Dit is uiteraard een simpel voorbeeld. Essentieel is hier dat de toets inhoudelijk een goede afspiegeling moet zijn van wat met de les wordt beoogd. Als topografische kennis niet de belangrijkste doelstelling was, maar het vooral om inzicht zou moeten gaan betreffende bescherming tegen rivierwater, dan is de hier gekozen verdeling niet passend. Slechts 1 van de 27 vragen past bij het hoofddoel.

Een alternatief voor de indeling in kennis, inzicht en toepassing, is die in productie en reproductie, soms verder opgedeeld in feiten, procedures, begrippen en principes. Toetsmatrijzen kunnen zeer complex worden. Bij de indeling worden ook vaak taxonomieën gebruikt, bijvoorbeeld die van Bloom of Romiszowski of er wordt gebruik gemaakt van het OBIT-model, RTTI of rubrics.

Een overzicht van Taxonomieën vind u hier

Toetsvormen

Toetsen kunnen langs verschillende dimensies worden ingedeeld:

vraagtype gesloten
  open vragen
vraagvorm Invulvraag
  Aanvulvraag
  Kort-antwoordvraag
  Lang-antwoordvraag
  Opstelvraag
afnamevorm Mondeling
  Schriftelijk
  Digitaal
afnamewijze Individueel
  Groepsgewijs

En er zijn allerlei combinaties mogelijk. Belangrijke overwegingen bij de keuze voor een vorm zijn naast de objectiviteit (validiteit en betrouwbaarheid), de praktische en financiële mogelijkheden, de tijdsinvestering en uiteraard deskundigheid en ervaring. Belangrijke afweging tussen gesloten en open vragen is bijvoorbeeld de mogelijke tijdsinvestering en het moment waarop die wordt gedaan. De gesloten vorm vraagt vaak meer tijd in de constructie, maar de open vorm vergt meer tijd achteraf (om na te kijken en te beoordelen). De open vorm kan echter weer meer inzicht geven in eventuele misconcepties en lacunes bij leerlingen en de individuele verschillen daarin en kan dus weer andere informatie opleveren dan de gesloten vorm.

Maken van toetsvragen, gesloten vorm

Er zijn allerlei typen vragen bij gesloten toetsvormen:

  • Meerkeuzevraag
    • Directe vraag
    • Zin met weglating(en)
    • Enkelvoudige of meervoudige stellingvraag
    • Een, twee of meer uitspraken vraag
  • Combinatievraag
  • Classificatievraag
  • Waar-onwaar vraag
  • Clustervraag
  • Extra-bepaling vraag
  • Stellingvraag

Een meerkeuzevraag is een vraag waarbij de leerling het goede (of beste) antwoord  moet kiezen uit meerdere antwoordmogelijkheden. De vraag bestaat uit een stam en twee of meer alternatieven. Een van de alternatieven is juist, de andere zijn afleiders. De meest voorkomende vorm is de 4-keuze vraag, hoewel de 3-keuze vraag eigenlijk het beste werkt.

Om goede gesloten vragen te maken zijn de richtlijnen gesloten vragen opgesteld. Die gaan vooral over de formulering van de vragen. Zowel de stam als de alternatieven moeten zeer zorgvuldig geformuleerd worden. Algemene eisen die te stellen zijn aan gesloten vragen gaan over:

Eis: Aandachtspunten:
Relevantie geen triviale inhoud, geen leesoefening, niet het stokpaardje van de docent, geen strikvraag
Objectiviteit niet meerdere alternatieven juist, geen sleutel die omstreden is bij experts, niet vragen naar mening van de leerling (valt niet te scoren)
Specificiteit pas op voor ongelijkwaardige alternatieven, onderling afhankelijke items, niet het juiste antwoord altijd op zelfde positie, geen gebruik van woorden als: ‘nooit’, ‘altijd’, ‘alleen’, ‘alle’
Efficiëntie geen ingewikkelde zinsconstructies, geen onbekende woorden, geen grammaticale incorrectheid
Moeilijkheid niet te gemakkelijk (iedereen heeft het goed), niet te moeilijk

Maken van toetsvragen, open vorm

Bij een open vraag moet de leerling het antwoord zelf formuleren. Daarom hoort bij een open vraag een correctievoorschrift en een antwoordmodel. Open vragen ingedeeld op 3 variabelen:

lengte van het antwoord Kort-antwoordvraag
  In- en aanvulvraag
  Lang-antwoordvraag
  Opstelvraag
complexiteit van het antwoord enkelvoudige vraag
  meervoudige vraag
de verlangde gedragscategorie reproductievraag
  identificatievraag
  productievraag
  vrije verwerkingsvraag

Ook voor open vragen zijn richtlijnen opgesteld, zie de richtlijnen open vragen. 

Scoringsvoorschrift

Terug naar het voorbeeld

Om te scoren of de namen van de bladeren en noten die voor de klas zijn getoond goed zijn opgeschreven door de 20161031_172445-kopieleerlingen, volstaat het innemen van de antwoordblaadjes en het scoren van geschreven woorden. Het scoringsvoorschrift bestaat uit de tien correcte namen. Ook nu moeten er nog keuzes gemaakt worden. Moet de naam correct zijn geschreven? Hoe om te gaan met eventuele synoniemen? Is elk antwoord goed of fout of zijn er ook bijna goede antwoorden? Krijgt elk antwoord evenveel waarde, bijv. 1 punt, of wordt er gewogen en tellen bepaalde bladeren en noten zwaarder dan andere? Bij hoeveel punten is het resultaat voldoende?

Het scoren van een toets met alleen meerkeuzevragen is eenvoudig. Ingewikkelder wordt het als de respons een hele tekst is of een uitgevoerde handeling. Bijvoorbeeld het antwoord op een geschiedenisvraag:

Wat was de directe aanleiding tot de Tweede Wereldoorlog?

Dan is het de vraag wat van de leerling verwacht mag worden. Wat heeft de leerkracht er over verteld en/of wat staat er precies in het boek? En welke elementen tellen mee en hoe zwaar? Dat moet van te voren worden neergelegd in een scoringsvoorschrift.

Een stuk complexer wordt het bij de scoring en waardering van een ambachtelijk of creatief product (beeldende vorming) of een reeks van acties, bijv. bij een technische vaardigheid. Ook zijn er toetsen die samengesteld zijn uit verschillende elementen bijvoorbeeld een competentietoets.

Analyse van de resultaten

Na afname van de toets en scoring van de responsen, maak je een analyse van de uitkomsten. Bij een korte toets bij enkele leerlingen valt er niet zoveel te rekenen. Dat is wel anders als je een toets met een behoorlijk aantal vragen van een hele klas hebt. Laat staan als je meerdere klassen dezelfde toets hebt voorgelegd. Dan wordt het echt interessant.

Er zijn Excel-werkbladen beschikbaar, waarin een aantal mooie berekeningen zijn te maken. Je komt dan niet alleen te weten hoe goed je leerlingen het hebben gedaan, maar ook hoe de spreiding van de scores is. Interessant is dan ook dat je kunt nagaan of de toets wel goed in elkaar zat. Misschien zaten er zwakke vragen bij die je beter niet kunt laten meetellen. Of waren er te veel moeilijke vragen.

Er zijn ook meer geavanceerde programma’s voor Toets- en itemanalyse, maar bij kleinschalige afnames, en zeker als het gaat om incidenteel gebruik, zijn die minder geschikt.

Workshop Maak zelf een toets (voor PO, VO, MBO)

Handige links

Advies