Richtlijnen voor het construeren van open vragen

  1. Zorg ervoor dat een opgave te herleiden is tot een omschreven leerdoel en zorg ervoor dat het onderwerp van de vraag duidelijk is afgebakend.
  2. Wees duidelijk in wat de leerling precies moet doen: formuleer de opgave zo zakelijk mogelijk, maar geef wel voldoende informatie voor een correcte beantwoording.
  3. Zorg ervoor dat het gestelde probleem oplosbaar is met het in de doelstelling beoogde vaardigheidsniveau.
  4. Formuleer de vraag taalkundig correct en stem taalgebruik en stijl af op het niveau van het lesmateriaal en de leerlingen.
  5. Geef de leerling voldoende informatie over de lengte van het antwoord, de gewenste vorm van het antwoord en de elementen die het antwoord moet bevatten.
  6. Maak een correctievoorschrift bestaande uit een antwoordmodel, een scoringsvoorschrift en eventueel een beoordelaarsinstructie.
  7. Geef in het antwoordmodel een opsomming van goede, gedeeltelijk goede en, indien nodig ook onjuiste antwoorden. En wees zo duidelijk mogelijk over wat er in de antwoorden van leerlingen als ‘niet juist’ of ‘niet geheel juist’ beoordeeld moet worden. Maak indien mogelijk voor elke vraag een antwoordmodel. En neem geen antwoorden op die leerlingen niet of nauwelijks zullen geven.
  8. Vermeld in het scoringsvoorschrift de maximaal haalbare toetsscore, het aantal scorepunten per vraag en de scoring van foute, gedeeltelijk goede en geheel goede antwoorden. Omschrijf indien nodig wanneer bonuspunten worden toegekend c.q. aftrekpunten in mindering worden gebracht.
  9. Ken aan elk antwoordelement één scorepunt toe (en geen twee of meer). Als een goed antwoordelement namelijk twee punten krijgt , bestaat het gevaar dat docenten ten onrechte een punt toekennen als het antwoord in hun ogen gedeeltelijk goed is.
  10. Maak het correctievoorschrift niet te algemeen zodat van een uniforme beoordeling weinig terechtkomt. Maar maak het voorschrift ook weer niet te gedetailleerd in de zin dat het voor de beoordelende docent door de omvang moeilijk te hanteren is.
  11. Geef het correctievoorschrift zodanig vorm dat de beoordelende docent snel inzicht krijgt in de beoordelingstaak.
  12. Indien één of meer vragen niet in het antwoordmodel ondergebracht kunnen worden, maak dan gebruik van beoordelingsschema’s of beoordelingsschalen.